Ik ben 61 jaar en geboren in Haarlem. Mijn ouders komen uit Groningen en Indonesië.
Vroeger woonden al mijn opa’s en oma’s bij mij in de buurt. Dat was heel leuk. Ik ging als klein jongetje altijd bij ze langs op de step. Ik voelde me vooral thuis in mijn buurt door al het water. Als het gevroren had kon je schaatsen en er lagen overal dekschuiten. Ik weet nog dat ik altijd ruzie had met de kleuterjuffrouw, omdat ik op die dekschuiten klom terwijl dat “véél te gevaarlijk was voor jongetjes van zes jaar”. Wat ook leuk was, was dat er bij ons aan de overkant een hele grote flat stond met lange bergingen met allerlei inhammen. Daar gingen we altijd verstoppertje spelen. Die bergingen waren kilometers lang, dus dat spelletje duurde ook héél lang. Het was heerlijk dat onze wijk aan de rand van een weiland lag. Je zat tegelijkertijd in de stad, maar ook tussen de bloeiende appelbomen. Er stond een paard voor de deur, er was een slootje, er was een bosje waar je in kon kruipen en waar je allerlei geheime plekken in kon maken.
Ik voelde mij op een gegeven moment niet meer thuis in mijn buurt, toen ik een jaar of 17 was. Daarvoor had ik het er altijd leuk gevonden, maar nu wilden mijn vrienden en ik de stad in en gaan stappen en dan moesten we dat hele eind fietsen. Toen dacht ik: nu wil ik hier wel weg… De stad waar ik toen kwam wonen werd me op een gegeven moment te eenzijdig, het was vooral een studentenstad. Daarna kwam ik in Hoofddorp terecht. Ik vond het hier eigenlijk heel verschrikkelijk. En tot op heden aan toe heb ik altijd nog een haat-liefdeverhouding met Hoofddorp. Jaren geleden hing er hier aan de brug, als je Hoofddorp binnen kwam rijden, een bord waarop stond: “Kijk nog even om, want je nadert nu Hoofddorp”. Dat is precies wat ik heb gevoeld toen ik hier kwam wonen! Ik vond het hier altijd een nul-sfeer. Ik houd van de sfeer van de stad en van natuur, maar hier was eigenlijk niks. Geen sfeer en geen natuur. Maar het gekke is, ik woon er nog altijd, dus er zal toch wel íets zijn… Eigenlijk is Hoofddorp een soort ‘gedoogplek’ voor mij. Ik kan geen betere plek verzinnen om nu te wonen, vlak bij Schiphol waar mijn vrouw werkt, mijn kinderen hebben het hier prima naar de zin. Ik zou misschien nog wel een groter huis willen, maar dat is eigenlijk het enige.
En, ach, ik heb gewoon een verschrikkelijk gezellige straat, met een heerlijk huis en hele goede buren, al 26 jaar. Ik heb hier ook heel veel vrienden en m’n werk natuurlijk. Dat is het voornaamste. En in mijn tuin is het midden in de winter al bijna zomer!
Ik voel me hier nu vooral thuis omdat ik me in mijn straat zo welkom voel. Ik vind de bewoners heel fijn. Ik ben een tijd weg geweest en toen pas drong eigenlijk tot me door dat dit gewoon de plek is waar ik het liefste woon. Ik woon aan de rand van de stad, vogels vliegen langs, de omgeving is mooi en rustig. En ik woon natuurlijk met mijn vrouw, ook niet onbelangrijk… Om me ergens thuis te voelen heb ik wel mijn vrienden om me heen nodig. En mijn ouders, mijn zus, mijn gezin én goede buren. Dan voel ik me prima.
Wat ik wel spannend vind is dat er, vier huizen bij mij vandaan, een heel nieuwbouwcomplex wordt neergezet, ik moet nog zien wat het wordt… Maar op deze plek wil ik het liefst voor altijd blijven wonen, het is hier echt een soort dorp. Ik ken iedereen hier. Er woont een hele mix van mensen die er al 40 jaar wonen tot jonge stellen met kinderen. Dat vind ik zo leuk. Dus… I’m not going anywhere!
Dit Thuisvoel-verhaal is van ‘betrokken mensenwerkers in Hoofddorp’: Cor, Ellen, Martin, Rien, José, Esther., Esther, Eveline, Anneke , Riet, Henny, Monika, Nick, Jacco, Joke, Yasha, Annet, Piet en Kitty. © Fenneke Wekker, juli 2011